Een federale Amerikaanse rechter heeft geoordeeld dat het privébezit van AI-gegenereerde beelden of video’s van seksueel kindermisbruik beschermd wordt door de First Amendment — mits er geen echte persoon op staat en het materiaal in de woning blijft. Tegelijkertijd vraagt hij het Hooggerechtshof om de oude jurisprudentie te herzien, omdat de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie de wet achter zich heeft gelaten.
Een gerechtelijke uitspraak bij het Amerikaanse Hof van Beroep (vaak aangeduid als het 7th Circuit) boog zich over het dilemma of iemand realistische AI-beelden van kindermisbruik mag bezitten die iemand zelf heeft gegeneerd. Die vraag stond centraal in de hoger beroep zaak van Steven Anderegg uit Wisconsin, die was veroordeeld wegens het produceren, distribueren en bezitten van duizenden expliciete AI-beelden van (fictieve) kinderen, waarvan hij een deel via Instagram naar een 15-jarige jongen had gestuurd. Een lagere rechter veroordeelde hem niet wegens het bezit ervan en rechter John Z. Lee bekrachtigde die beslissing in het hoger beroep op 25 augustus 2026, schrijft de Washington Post.
Wat de rechter precies oordeelde
Lee baseerde zich op twee eerdere uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof. In Stanley v. Georgia (1969) werd bepaald dat de overheid niet mag verbieden wat iemand in de privacy van zijn eigen huis bezit, ook als het om obsceen materiaal gaat. In Ashcroft v. Free Speech Coalition (2002) oordeelde het Hof dat virtueel kindermisbruikmateriaal waarin geen echte minderjarigen voorkomen, niet als kindpornografie geldt en onder de vrijheid van meningsuiting valt.
“GenAI-modellen kunnen beelden maken van het misbruik van virtuele kinderen, die vrijwel niet te onderscheiden zijn van beelden van echte kinderen.”
Rechter John Z. Lee
In zijn vonnis schreef Lee: “We leven nu in een tijd waarin GenAI-modellen beelden kunnen maken van het misbruik van virtuele kinderen, die vrijwel niet te onderscheiden zijn van beelden van echte kinderen. (…) Gezien de onophoudelijke vooruitgang in kunstmatige-intelligentiemodellen hebben we enige zorgen over de grenzen die deze uitspraken trekken, maar we zijn niet vrij om die zelf opnieuw te trekken.” De aanklachten voor productie, distributie en het doorsturen naar een minderjarige blijven overeind. Alleen het pure privébezit van beelden zonder echte personen is volgens deze uitspraak beschermd.
Experts reageren op de reikwijdte
Riana Pfefferkorn, policy fellow aan het Stanford Institute for Human-Centered AI, relativeert de praktische gevolgen. “Als je iets alleen privé mag bezitten, hoe kom je er dan überhaupt aan? Of je produceert het zelf, of je ontvangt het ergens vandaan,” zei zij. Volgens haar beschermt de uitspraak geen downloaden van derden, of het meenemen van een laptop of telefoon met de beelden buiten de deur.
“Als je iets alleen privé mag bezitten, hoe kom je er dan überhaupt aan? Of je produceert het zelf, of je ontvangt het ergens vandaan.”
Riana Pfefferkorn
Eric Goldman, hoogleraar recht aan de Santa Clara University School of Law, ziet de uitspraak vooral als signaal. “Het is een herinnering aan de wereld dat virtueel Child Sexual Abuse Material (CSAM) anders kan zijn dan échte CSAM. “Het zou wel eens anders geregeld kunnen zijn of op een andere manier door de Grondwet beschermd kunnen worden.”
Daniel Lyons, hoogleraar aan Boston College, acht de kans reëel dat het Hooggerechtshof de zaak oppakt. Hij wijst er op dat de toename van synthetische beelden het bestaande opsporingssysteem onder druk zet. Dat systeem is oorspronkelijk opgezet om beelden van echte kinderen te bestrijden.
De knelpunten in de praktijk
De National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) meldt dat techbedrijven een vloedgolf aan rapporten over vermoedelijk AI-gegenereerd misbruikmateriaal doorgeven. Die meldingen missen vaak de basisinformatie die opsporingsdiensten nodig hebben om te bepalen of er een echt kind in gevaar is. Omdat AI-beelden steeds realistischer worden, wordt het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid steeds moeilijker.
De huidige Amerikaanse jurisprudentie houdt vast aan de eis dat er een echte minderjarige moet zijn afgebeeld om het materiaal als kindpornografie te behandelen.
—
Een extra complicatie is dat sommige trainingsdatasets van AI-modellen volgens onderzoekers honderden echte beelden van kindermisbruik bevatten. Daardoor is het virtuele product niet altijd volledig losgekoppeld van eerder gepleegd leed. Toch houdt de huidige Amerikaanse jurisprudentie vast aan de eis dat er een echte minderjarige moet zijn afgebeeld om het materiaal als kinderpornografie te behandelen.
De uitspraak laat de spanning zien tussen twee belangen: de bescherming van kinderen enerzijds en de privacy en vrijheid van meningsuiting anderzijds. In 2002 wees het Hooggerechtshof nog het argument af dat virtueel materiaal de vraag naar echt materiaal zou kunnen aanwakkeren, of daders zou kunnen stimuleren. Met de huidige technologie is die vraag opnieuw actueel.
Verschillen met andere landen
In de Verenigde Staten staat de First Amendment centraal, wat leidt tot deze bescherming van privébezit van puur fictieve beelden. In Europa, inclusief Nederland, is de wetgeving doorgaans strenger. Realistische virtuele of AI-gegenereerde beelden van kindermisbruik kunnen hier al onder verboden vallen, ongeacht of er een echt kind bij betrokken was. De Amerikaanse zaak toont hoe een grondwettelijke nadruk op vrije meningsuiting en privacy in botsing kan komen met de wens om elke vorm van dergelijk materiaal te bestrijden.
Terwijl de beelden steeds realistischer worden en de meldingen toenemen, ontwikkelt AI zich sneller dan de wetgeving die ermee om moet gaan.
—
Justitie, platforms en wetgevers staan voor de vraag hoe ze effectief kunnen optreden zonder de privacy onnodig in te perken of legitieme uitingen te smoren. Een te ruime vrijheid kan misbruik faciliteren; een te strenge wet kan de deur openzetten voor bredere controle over wat burgers thuis genereren of bekijken.
Het Hooggerechtshof kan de jurisprudentie herzien
Rechter Lee heeft expliciet aangegeven dat de technologische ontwikkelingen de oude grenzen compliceren. Of het Hooggerechtshof de uitnodiging aanneemt om de jurisprudentie te herzien, is nog onduidelijk. Het justitiedepartement heeft nog niet laten weten of het in hoger beroep gaat.
De zaak illustreert een breder probleem: AI ontwikkelt zich sneller dan de wetgeving die ermee om moet gaan. Terwijl de beelden steeds realistischer worden en de meldingen toenemen, blijven opsporingsdiensten en rechters worstelen met kaders die decennia geleden zijn opgesteld. De uitspraak is daarmee niet alleen een juridisch vonnis, maar ook een waarschuwing dat de wetgever en de hoogste rechters de snelle technologische veranderingen serieus moeten nemen.
Ella Ster | ellaster.nl
Ontdek meer van Ellaster
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

